www.
johanblaauw.nl

 
Artikelen
|
Recensies
|
Overwegingen
|
Columns
|
Gedichten
|
Varia
|
Sitemap
 

 

Drie-eenheid

De drie-eenheid is het christelijke dogma dat stelt dat de godheid bestaat uit God de Vader, God de Zoon en God de heilige Geest (één substantie, drie personen).
Het is in de vroege kerk ontstaan als een soort samenvatting van de christelijke leer en komt bijvoorbeeld niet of nauwelijks (een omstreden plaats) voor in de Eredivisie van het christelijk geloof, het Nieuwe Testament.
Het is een niet makkelijk te begrijpen dogma en in onderstaande bijdrage wil ik eens kijken of er mogelijkheden zijn er zo mee te spelen dat er ook tegenwoordig nog inspiratie uit te putten valt.
De bijdrage heb ik in drieën verdeeld: 1. God, 2. Christus en 3. Geest

1. God
Over God werd en wordt van alles beweerd. Bij van alles & nog wat werd en wordt God erbij gesleept. Soms met de haren, bijv. om eigen gedrag te rechtvaardigen. De een vindt dit van God, de ander dat. Kortom: spreken over God is op z'n zachtst gezegd problematisch. En daar komt nog bij: niemand heeft God ooit gezien. En daarmee is natuurlijk ook het grootste probleem aangegeven als we het over God hebben: voor zover God al ergens aanwezig is is zijn aanwezigheid ook altijd een aanwezigheid in afwezigheid. Je kunt God niet zien, van God kun je geen foto maken. God is een beeldloze God, die niet verbeeld kan worden.
Neem een willekeurige protestantse kerk: een afbeelding van God zult u er tevergeefs zoeken en veel protestantse kerken - zoals bijvoorbeeld Vrijzinnig Centrum Vrijburg in Amsterdam - kennen een liturgisch centrum dat leeg is: uitdrukking of verbeelding van het gegeven dat God niet te verbeelden is. Sommige protestantse kerken hebben die ruimte opgevuld door permanent de avondmaalstafel of het doopvont op te stellen. Andere protestantse kerken - zoals het hiervoor genoemde Vrijburg - doen dat niet, die stellen  avondmaalstafel of het doopvont  alleen op als er avondmaal gevierd wordt of wanneer er gedoopt wordt. Het is met die leegte als met een stilte in een gesprek. Natuurlijk zo'n stilte kan het gevolg zijn van het feit dat je met je mond vol tanden zit. Maar dat bedoel ik niet. Een stilte kan ook - ingebed in wat eraan vooraf ging - een weldadig moment zijn. Waarin je bijvoorbeeld de tijd neemt tot je door te laten dringen wat de betekenis is van het gesprokene. Zo ook de leegte van een protestants liturgisch centrum: geen kaalheid omdat we niet weten wat we er mee aan moeten, maar een leegte als symbool voor de beeldloze God die niet afgebeeld kan worden.
Ik ga een stapje verder. Ervan uitgaande dat religie 'binding' betekent is wel eens opgemerkt dat de eigenlijke religieuze vraag is door welke machten we ons laten binden en leiden in ons leven. Want dat wat ons bindt in onze omgang met elkaar en met onze tijd, dat zijn de machten die ons in hun greep hebben en ons beheersen. Hierop doordenkend kun je zeggen dat dat wat ons bindt, dat dat wat ons in zijn greep heeft, onze God is. In die zin vermoed ik hebben we allemaal meer goden die we dienen: de god van het geld, de god van het bezit, de god van de seksualiteit, de god van het geweld, de god van het werk, de god van ... en gaat u zo maar door. God als de macht waarvoor we buigen.
Ik ga nog een stapje verder. Het jodendom gaf God een naam. Zeg maar, om hem te kunnen onderscheiden van al die andere goden voor wie we zo makkelijk op de knieën gaan. Het Oude Testament geeft die naam weer met vier letters (JHWH). Over de betekenis van die mysterieuze naam is veel gespeculeerd. In de meeste Nederlandse vertalingen van de bijbel wordt die naam weergegeven, vertaald met het woord Heer. Door God een naam te geven werd in de bijbel een onderscheid gemaakt tussen die ene God en al die andere goden.
Dat leidt natuurlijk tot een volgende vraag, namelijk hoe kun je deze beeldloze God met naam nu onderscheiden van al die andere goden? Is dat wel mogelijk?

2. Christus
In Gezang 1 uit het Liedboek voor de Kerken komen de volgende regels voor:

"Zijn (= Gods) woord is van het zijnde
oorsprong en doel en zin."
Kunnen we die ene beeldloze God onderscheiden van al die andere goden waar we vaak aan ten prooi zijn en die naar onze gunst dingen. Dat was de vraag.
En het antwoord op die vraag luidt: ja. Aan zijn woord. En nu is het bijzondere van het christelijke geloof of de christelijke variant van religie als u dat liever zegt nu is het bijzondere van die christelijke variant dat dat woord van God niet zoals in jodendom en islam een boek is, maar dat dat woord van God een mens is: Jezus van Nazareth, Jezus Christus. Deze Christus zou je ook het gezicht van God kunnen noemen. Een mens als woord van God. Een mens als verpersoonlijking van God. Dat is zo heb ik altijd gevonden iets unieks aan het christendom, dat God zich openbaart, om dat grote woord maar eens te gebruiken, dat God zich openbaart, zich laat kennen niet in een boek maar in een mens. Dat wil tegelijkertijd ook zeggen dat het christelijk geloof niet God maar de mens centraal stelt. Dat wil zeggen: deze mens, van wie de eerste christenen later zouden zeggen: in deze mens, in deze Jezus van Nazareth, daar zien we iets oplichten van God. Daar, in hem, zien we ook iets oplichten van wat misschien wel Gods bedoeling met mensen is. Dat is niet zonder consequenties.
Ik ga weer een stapje verder want dit betekent - als we kijken naar de verhalen die ons over hem zijn overgeleverd, dat het verzoenen van mensen met elkaar, het afzien van geweld, het tot hun recht laten komen van mensen, het doorbreken van etnische en relighieuze grenzen, dat dat dus iets onthult van waar het die ene God, die beeldloze God, die zich in Jezus klaat kennen, kennelijk om te doen is. In één woord samengevat: het is deze God kennelijk te doen om de humaniteit. Humaniteit - inzet voor humaniteit als criterium of we te maken hebben met die ene God, die in Jezus van Nazareth, zijn gezicht toont en 'vlees' is geworden. Tastbaar, zichtbaar.
Daarmee geeft deze God ons in Christus als het ware ons onze identiteit als mensen. Zoiets als mens zijn = humaan zijn. De zin van ons leven vindt zijn bekroning in de humaniteit.
Nu denkt u misschien: ho, ho, aardig gevonden, maar wij zijn Jezus niet, of Christus niet. Die leefde lang geleden, in omstandigheden die de onze niet waren, in een totaal andere cultuur, in leefomstandigheden die met de onze niet te vergelijken zijn. Inderdaad, daar hebt u gelijk aan. Maar, is dan mijn antwoord: de Geest is er ook nog.

3. Geest
Met Hemelvaart, zo verbeeldt de christelijke liturgie, stijgt Jezus ten hemel op. Zijn volgelingen blijven dan verweesd achter. Vandaar de naam van de zondag na Hemelvaart: wezenzondag. Dan volgt Pinksteren en op Pinksteren gaat die Geest, die geestkracht van Jezus, over op zijn volgelingen. Jezus is er dan niet meer lichamelijk, alleen nog in de geest. De volgelingen van Jezus gaan dan het werk voortzetten dat Jezus in gang zette. Je kunt het wel vergelijken met onze volwassenwording: onze ouders hebben ons op weg geholpen. Maar er komt - soms opeens - een moment dat we zonder onze ouders het zelf moeten proberen. Je kunt je niet langer achter je ouders verschuilen, je draagt nu zelf verantwoordelijkheid. Dat verbeeldt Pinksteren, het feest waarop de geest die Jezus bezielde overgaat op zijn leerlingen, zijn volgelingen, de mensen na hem. Die zullen nu zelf dat 'programma' van die beeldloze God die in Jezus handen & voeten kreeg, dat project van humanisering van de aarde, voort moeten zetten. Toen. Later. Nu.
De vroege christenen noemden die Geest van Pinksteren: de heilige geest - die geest van God en Christus die mensen bij dat 'project' wil betrekken en die ze tegelijkertijd ook de geestkracht wil geven daar iets van te maken, dat vol te houden ook bij tegenslag, ook bij verdriet, ook als het weer eens niet gaat zoals je had gehoopt dat het zou gaan in je leven. Heilige geest. En misschien is die toevoeging heilig bij deze geest nog niet eens zo gek, want er is immers zo veel onheilige geest. Als ik naar het journaal kijk, of de krant lees, kan me dat soms een gevoel van enorme eenzaamheid geven, wanneer daar weer die berichten zijn over vernederingen die mensen elkaar aandoen, wanneer huizen met schamele bezittingen waar mensen jaren over deden om ze te verzamelen in een paar minuten kapot worden gemaakt of wanneer mensen zich opblazen in de hoop daar zoveel mogelijk anderen bij te doden of te verwonden. Onheilige geest. Die andere geest - die heilige dus - wil mensen juist betrekken bij het bouwen aan een wereld waarin de een de ander wel het licht in de ogen gunt.
En is dat ook niet de essentie van die bijbelverzen uit I Korintiërs 12 waar de auteur spreekt over de verschillende gaven en de ene Geest? Iedereen wordt erbij betrokken en gewaardeerd om de kwaliteiten die die heeft. Iedereen kan meedoen met de kwaliteiten die die heeft, met dat waar die goed in is.

Tenslotte
De leer van de drie-eenheid van God de vader, de zoon en de heilige Geest als dogma, als christelijk leerstuk: ik kan er helemaal niets mee.
Het is me ook veel te mannelijk, te macho.
Als je het geloof, jouw geloof, echter ziet als speelruimte voor verbeelding dan wordt het anders. Dan kan die drie-eenheid wat mij betreft zoiets zijn als een dichterlijk spelen met ons geloof. Zondag Trinitatis, de zondag van de Drie-eenheid, die in de christelijke kalender valt op de eerste zondag na Pinksteren, als de zondag - na alle christelijke feesten - waar we ons geloof nog eens samenvatten en op een rijtje zetten. En argeloos in beelden bezingen hoe die ene beeldloze God zich laat kennen:
1. als de macht van de humaniteit;
2. met Christus als verpersoonlijking van die humaniteit en
3. in ons door de kracht van de geest om humaniteit prioriteit te geven.
Daar hoort Pinksteren onlosmakelijk bij, want als we niet ook van binnen geraakt worden, blijft al dat andere wat we over God en Jezus zeggen aan de buitenkant. Dan blijft ons geloof  het geloof van ons voorgeslacht, het geloof van onze ouders, maar niet ons eigen geloof.
En die zondag Trinitatis - die zondag na Pinksteren tenslotte - is dan wat mij betreft de zondag waarop we jaarlijks rekenschap afleggen van de hoop die in ons is en de dromen die we hebben - onderweg - op onze reis door de tijd.

 © JOHAN BLAAUW

naar begin